Deel 2-31 Het ventiel van het onbewuste

Bijgewerkt: mrt 8

Boek 2 post 31: pagina 540 - 552 (totaal aantal gelezen pagina's 1419)


Oh jongens wat is het een opgave om dit boek uit te lezen!

Nog drie paragrafen te gaan, na deze paragraaf nog 30 pagina's...en dan kan ik na (of tijdens?) mijn vakantie (!) eindelijk aan het derde boek beginnen.


Verder met de inhoud dan...waarin Freud, tussen veelal theoretische geleuter (excusé) een belangrijke aanwijzing geeft over waar psychotherapie toe zou moeten dienen en over het onsterfelijke karakter van het onbewuste. Dat stuk licht ik er vandaag uit.


Uitgaande van de stelling dat onbewuste wensen altijd actief blijven, zegt hij (p. 544):

Ze [de onbewuste wensen] vormen altijd begaanbare wegen, zo vaak een excitatiequantum ze maar gebruikt. Het is zelfs een in het oog lopende eigenaardigheid van onbewuste processen dat ze onverwoestbaar blijven. In het onbewuste kan niets afgemaakt worden, is niets voorbij of vergeten.

Dit lijkt me een belangrijk gegeven als psychotherapeut, maar ook als mens. Het onderbewustzijn vergeet niets, en dan vooral geen krenkingen:

Daarvan krijgt men de sterkste indruk wanneer men de neurosen, vooral de hysterie bestudeert. De onbewuste loop van gedachten die naar ontlading in de aanval voert, is onmiddellijk weer begaanbaar zodra zich genoeg excitatie heeft opgehoopt. De krenking die dertig jaar geleden is voorgevallen, heeft—nadat ze zich eenmaal toegang tot de onbewuste affectbronnen heeft verschaft—al die dertig jaar lang dezelfde uitwerking als een verse krenking.

Zo kunnen we ook begrijpen hoe we steeds weer door dezelfde aanleidingen (kwetsingen, afwijzingen etc.) geraakt kunnen worden, en hoe deze actuele, verse aanleidingen, dezelfde intensiteit kunnen blijven houden als de initiële krenking (veelal door onze ouders/verzorgers), toen we nog kind waren.

Zo vaak de herinnering aan de krenking maar wordt aangeroerd, leeft ze weer op en blijkt bezet met excitatie die zich in een aanval motorische afvoer verschaft. Juist op dit punt moet de psychotherapie ingrijpen. Het is haar taak om voor de onbewuste processen een afwikkeling en een vergeten te scheppen. Wat wij namelijk geneigd zijn als vanzelfsprekend te beschouwen en als een primaire invloed van de tijd op de psychische herinneringsresten aanmerken, het verbleken van herinneringen en de affectzwakte van niet meer recente indrukken, dat zijn in werkelijkheid secundaire veranderingen die door moeizame arbeid tot stand komen. Het is het voorbewuste dat deze arbeid verricht, en de psychotherapie kan geen andere weg inslaan dan het Obw aan de heerschappij van het Vbw te onderwerpen.

Wij leven in die zin in het verleden (dat nog actief is in ons onderbewustzijn). Psychotherapie dient dan om die onbewuste processen, afkomstig uit onze vroegste kinderjaren, bewust te maken, althans, naar ons voorbewuste te brengen.


Uit de voorgaande blog wisten we al dat het voorbewuste (Vbw; de grens tussen onbewuste en bewustzijn) naast de wens van het onbewuste, óók een wens heeft tijdens het slapen, namelijk om te (blijven) slapen. De droom heeft de taak op zich genomen de vrijgelaten excitatie van het Obw weer onder de heerschappij van het voorbewuste te brengen; daarbij voert hij de excitatie van het Obw af, dient als ventiel en waarborgt tevens, ten koste van enig surveillancewerk, de slaap van het voorbewuste. Zo stelt hij zich als compromis, net zoals de andere psychische formaties in de reeks waarvan hij deel uitmaakt, gelijktijdig in dienst van beide systemen doordat hij beider wensen vervult, voor zover ze verenigbaar zijn (p. 545)


Tot slot over de angstdroom: (p. 547-548)


Dat een psychisch proces dat angst ontwikkelt desondanks een wensvervulling kan zijn, behelst voor ons allang geen tegenstrijdigheid meer. Wij weten dit geval aldus te verklaren: de wens behoort tot het ene sys­teem, het Obw, terwijl het systeem van het Vbw deze wens heeft verworpen en onderdrukt. De onderwerping van het Obw door het Vbw is ook in geval van volle psychische gezondheid niet radicaal; uit de mate van deze onderdrukking volgt de graad van onze psychische normaliteit. Neurotische symptomen zijn voor ons een indicatie dat de beide systemen in conflict met elkaar verkeren, het zijn compromisuitkomsten van dit conflict, die er een voorlopig einde aan maken. Ze gunnen enerzijds het Obw een uitweg voor de afvloeiing van zijn excitatie, fungeren voor het Obw als uitvalspoort, en stellen toch anderzijds het Vbw in staat het Obw enigermate te beheersen. Het is bij voorbeeld leerzaam de betekenis van een hysterische fobie of van pleinvrees in het oog te houden. Stel, een neuroticus is niet bij machte alleen over straat te gaan, wat wij terecht als een ‘symptoom’ betitelen. Men heft dit symptoom nu op door hem tot deze handeling, waartoe hij zich niet bij machte waant, te dwingen. Er volgt dan een angstaanval, zoals ook vaak een angstaanval op straat de aanleiding tot het ontstaan van de pleinvrees is geworden. Wij komen zo te weten dat het symptoom geconstitueerd is om te voorkomen dat de angst tot uitbarsting zal komen; de fobie is als een grensversterking vóór de angst gelegd. Wij kunnen ons betoog niet voortzetten zonder in te gaan op de rol van de affecten bij deze processen, wat hier echter slechts ten dele mogelijk is. Laten wij dus de stelling formuleren dat de onderdrukking van het Obw vooral noodzakelijk wordt omdat het voorstellingsverloop in het Obw, indien het aan zichzelf werd overgelaten, een affect zou ontwikkelen dat oorspronkelijk het karakter van lust had, maar na het proces van verdringing het karakter van onlust draagt. Het doel, doch ook het gevolg van de onderdrukking is dat deze ontwikkeling van onlust wordt voorkomen. De onderdrukking breidt zich uit naar de voorstellingsinhoud van het Obw, omdat vanuit de voorstellingsinhoud de vrijmaking van onlust zou kunnen plaatshebben. Dit is gebaseerd op een zeer specifieke hypothese over de aard van de affectontwikkeling.74 Deze wordt als een motorische of secretorische functie beschouwd, terwijl de sleutel tot de innervatie daarvan in de voorstellingen van het Obw is gelegen. Door de beheersing van de kant van het Vbw worden deze voorstellingen als het ware gesmoord, in het uitzenden van affectontwikkelende impulsen gehinderd. Houdt de bezetting van de kant van het Vbw op, dan bestaat dus het gevaar dat de onbewuste excitaties affect vrijmaken dat—ten gevolge van de eerder voltrokken verdringing—slechts als onlust, als angst kan worden gevoeld.


Ik heb het een beetje afgeraffeld, ik weet het. Ik moet voor 1 oktober nog de laatste pagina's doornemen en mijn tijd is schaars tegenwoordig.



Adapted from The Meaning of Dreams, Isador Henry Coriat (1915). Coriat was one of the first American psychoanalysts.

Vorige blog

Volgende blog

Voor suggesties, vragen of opmerkingen, graaf eerst in uzelf. Als dat u niet lukt:

  • Facebook Social Icon
  • White Instagram Icon

© 2018 by Reading Freud

  • Facebook - Black Circle
  • Black Instagram Icon