Deel 1-21 Weer over afweer

Bijgewerkt op: 8 jan. 2019

Boek 1 post 21: pagina 288 - 307


Het laatste deel van het hoofdstuk van de Manuscripten van Freud aan zijn vriend Fliess, bevat een algemene uitleg over de afweerneurosen (zie blog 14) en hysterie. Enkele nieuwe punten hieruit zal ik oplichten.


Een belangrijke verschuiving die we in dit manuscript zien is dat hij het moment van het relevante (pathogene) trauma (waardoor de neurose ontstaat) ineens in de kindertijd plaatst. Hij legt hier nog niet uit waarom. Het is een belangrijke wijziging in zijn theorie die in zijn latere werk (grotendeels?) van kracht blijft.

Ansichtkaart uit eigen collectie - Quint Buchholz

We hebben het dus over afweer in deze laatste pagina's van de Manuscripten. Freud legt uit dat ieder mens een bepaalde afweertendens heeft. We voelen allemaal wel eens weerzin om onze psychische energie zo te sturen dat er onlust ontstaat. Deze tendens van afweren, zo zegt hij, 'kan niet aangewend worden tegen waarnemingen, omdat deze aandacht (getuige het bewustzijn) weten af te dwingen; de tendens geldt alleen voor herinneringen en denkvoorstellingen' (p. 290). De afweer is onschadelijk wanneer ze in werking wordt gezet tegen voorstellingen die destijds (dus in het verleden) onlust opwekten maar dat in het huidige moment niet meer doen. De neiging tot afweer wordt pas schadelijk wanneer ze zich richt tegen voorstellingen/herinneringen die nieuwe onlust opwekken - zoals bij seksuele herinneringen volgens Freud het geval is. Sterker nog, het is niet zelden dat de herinnering een sterker effect (en affect?) oproept dan de ermee corresponderende ervaring zelf. Vervolgens vult hij aan (hier zien we de verschuiving waarin Freud het trauma in de kindertijd plaatst) 'daarvoor is alleen nodig dat zich tussen de ervaring en de herhaling ervan in de herinnering de puberteit invoegt, die het effect van de opwekking zozeer versterkt.' (p. 291)

Hij stelt dus dat het zou gaan om voortijdige seksuele prikkeling (vóór de puberteit dus) die voor onlust zorgt en wordt verdrongen. De redenen waarom zij verdrongen wordt legt Freud bij de schaamte en moraliteit:

"Het meest voor de hand liggende antwoord zal zich beroepen op het feit dat schaamte en moraliteit de verdringende krachten zijn en dat de natuurlijke nabijheid van de geslachtsorganen onontkoombaar bij de seksuele ervaring ook walging moet opwekken. Waar geen schaamte bestaat (zoals bij het mannelijk individu), geen moraal tot stand komt (zoals bij de lagere volksklassen), waar de walging door de levensomstandigheden is afgestompt (zoals op het land), daar zal ook geen verdringing, dus geen neurose het gevolg van infantiele seksuele prikkeling zijn." (p. 291)

Hier lezen we een verklaring (schaamte is de verdringende factor - en seks kan walging opwekken die voorts schaamte voortbrengt), maar ook een uitgesproken mening over mannen (en vrouwen!) en de lagere klassen...opmerkelijk op zijn minst! Een voetnoot van de redactie wijst erop dat deze uitspraak desalniettemin veelzeggend is, omdat Freud zich toen al van de invloed van sociale omstandigheden op de ontwikkeling van neurosen bewust was.

Maar, voor we te snel oordelen, doet Freud dat ook niet - want hij neemt een zin later weer afstand van zijn standpunt: