Deel 1-44 Over dekherinneringen

Bijgewerkt: mrt 7

Boek 1 post 44: pagina 863 - 883


Nu we het einde van het eerste deel naderen (dit zal de één na laatste post zijn over het eerste boek) - wat toch een beetje als een mijlpaal voelt - zijn er ook enkele veranderingen op de website doorgevoerd. Een goede vriend heeft me gesponsord omdat hij het zo goed vindt dat ik dit (absurde) idee van het lezen van de werken van Freud niet alleen bedacht heb, maar het bovendien uitvoer. Door zijn bijdrage is de website nu vrij van advertenties, én vanaf heden is de domeinnaam readingfreud.com in werking getreden, naast readingfreud.nl. Bovenaan zal een rubriek Boek 1 alle posts van het eerste boek bevatten. Een nieuwe rubriek Boek 2 zal het volledige tweede boek bevatten. Voor wie nog eens terug wil lezen en de eerste berichten van de blog wil lezen, hoeft niet helemaal naar beneden te scrollen; de rubriek 'eerste berichten' bevat de eerste posts van deze blog en vanuit daar kan men doorklikken naar de volgende berichten.


Ik had mij bij het vorige bericht zo ingespannen een interessant en lezenswaardig stuk in elkaar te zetten, vandaag ben ik bang dat ik dat niet kan waarmaken. Het hoofdstuk Over dekherinneringen (gepubliceerd in 1899 in een vakblad voor psychiatrie) is wat technisch geschreven, met snelle gevolgtrekkingen die ik een aantal keren moest herlezen. De herinneringen en scènes die door een patiënt beschreven worden en door Freud op een wat vergezochte manier aan elkaar worden verbonden, zijn moeilijk in een kort verhaal te vatten en te vereenvoudigen. Ironisch genoeg doet Freud het voorkomen alsof een patiënt hem een herinnering beschrijft, maar in werkelijkheid haalt hij een autobiografische herinnering aan. Uit verschillende bronnen (o.a. brieven aan zijn vriend Fliess) blijkt dat de scènes die hij in dit hoofdstuk beschrijft, door hemzelf zijn beleefd. Hij houdt de lezer mooi voor de gek door de patiënt te introduceren als "een academisch gevormde man, achtendertig jaar oud, die ondanks zijn op een heel ander terrein liggende beroep zijn belangstelling voor psychologische vraagstukken heeft behouden sinds ik hem door een psychoanalyse heb kunnen bevrijden van een kleine fobie, vestigde het afgelopen jaar mijn aandacht op zijn kinderherinneringen (...). (p. 871-872).

Fraude, noemen ze dat tegenwoordig, denk ik. Maar dat woord wordt wel vaker in één adem genoemd met de naam Freud. Want wie kritiek op Freud zoekt (soms zoek ik die om mijn eigen oordeelsvermogen scherp te houden) zal die moeiteloos vinden. Steeds vaker stuit ik op artikelen die ofwel fel tegen onze protagonist zijn, of die met grote stelligheid zijn ideeën verdedigen. De vraag in welke mate zijn theorieën (nog) actueel zijn blijft voor mij tijdens het lezen van zijn werk steeds relevant, en nog onbeantwoord. Het lezen van de hedendaagse psychoanalytische literatuur en onderzoeken helpt daar enigszins zicht op te krijgen. Mijn voornemen is ook om de recente literatuur in deze blog te betrekken, maar het is tijdrovend om alleen al Freuds boeken te lezen en hier weer te geven. Ik doe mijn best. Aanvullingen zijn welkom.

Freud's werkplek/bureau in Wenen, waar hij ettelijke uren moet hebben zitten schrijven.

Het hoofdstuk van vandaag handelt over herinneringen; meer specifiek over de werking en de vervalsingen van het geheugen, en de amnesie die over onze eerste kinderjaren ligt. Wie echt geïnteresseerd is, kan het complete hoofdstuk zelf lezen, het staat namelijk online (zie hier). Het is een nieuw vertaald stuk, dat in eerdere Nederlandse edities niet opgenomen was. Freud stelt zich in dit hoofdstuk de vraag hoe het komt dat wij op volwassen leeftijd slechts flarden van onze kinderjaren onthouden hebben, en dat deze flarden vaak (in eerste instantie) geen betekenisvolle inhoud lijken te hebben. Wij onthouden allerlei - schijnbaar onbelangrijke - elementen en gebeurtenissen, die in zichzelf nergens naar lijken te verwijzen. Dit is opmerkelijk omdat het aannemelijker zou zijn dat we alleen, of juist de gebeurtenissen die een diepe indruk op ons hebben gemaakt vereeuwigen in ons geheugen. Freud zal in latere werken nog meer schrijven over dit onderwerp. In dit hoofdstuk illustreert hij één type dekherinneringen, die waarbij een vroege herinnering als dekking van een latere gebeurtenis gebruikt wordt. Hij haalt in het eerste deel van zijn opstel een enquête aan (uitgevoerd door V. en C Henri, 1895) over vroegkinderlijke herinneringen. Uit die enquête bleek dat de inhoud van de kinderherinneringen enerzijds die waren die een krachtig affect teweeg hadden gebracht (aanleidingen tot vrees, schaamte, fysieke pijn, schaamte, ziekten, de geboorte van een broer/zus etc.). Anderzijds, en dat is opmerkenswaardig, bleek een groot deel van de kinderherinneringen alledaagse, onbeduidende inhouden te bevatten. Zo lezen we:

"In zeer scherp contrast met deze verwachting en wat terecht verwondering moet oproepen, is het nu wanneer wij horen dat bij sommigen de vroegste jeugdherinneringen alledaagse en onbeduidende indrukken als inhoud hebben, indrukken die, toen ze werden beleefd, ook op het kind geen affectieve uitwerkingen konden hebben en toch met alle details - men zou haast zeggen: al te scherp - zijn ingeprent, terwijl mogelijk gelijktijdige gebeurtenissen niet konden worden onthouden, zelfs wanneer ze, naar het zeggen van de ouders, het kind indertijd sterk hadden aangegrepen." (p. 868)

Een voorbeeld uit het onderzoek dat wordt aangehaald is dat een man uit zijn vierde levensjaar een gedekte tafel met een schaal ijs herinnert, maar niet het overlijden van zijn grootmoeder dat in datzelfde jaar plaatsvond, terwijl laatstgenoemde volgens de ouders van de man (destijds) een diepe indruk op het kind gemaakt had. Jaren later weet hij van dat verlies echter niets meer, maar herinnert hij zich alleen de gedekte tafel met het ijs.

Freud stelt dat hij bij neurotici dergelijke herinneringen vaak tegenkwam. Hij onderstreept de verklaring van onderzoekers Henri 'dat in deze gevallen de betreffende scène wellicht alleen onvolledig in de herinnering bewaard is gebleven; juist daarom lijkt de scène nietszeggend; in de vergeten elementen ligt vermoedelijk alles besloten wat de indruk het onthouden waard heeft gemaakt' (p. 869). Freud voegt hier aan toe dat het eerder zou gaan om 'weggelaten elementen', in plaats van 'vergeten elementen'. In de psychoanalytische behandelingen met patiënten was het hem vaak gelukt om de ontbrekende stukken van de kinderbelevenis bloot te leggen en zo de nietszeggende herinnering te complementeren. Er zou volgens hem weerstand in het spel zijn, die er voor zou zorgen dat de ingrijpende gebeurtenis niet onthouden wordt. De weerstand enerzijds en het belang om een indruk wel te onthouden anderzijds, zouden elkaar niet opheffen, maar tot een compromis komen. Het compromis zou dan inhouden dat niet de indrukwekkende belevenis zelf het herinneringsbeeld wordt, maar wel een ander psychisch element dat daar nauw mee geassocieerd is.

"De uitkomst van het conflict is dus dat in plaats van het oorspronkelijk gerechtvaardigde herinneringsbeeld een andere herinneringsbeeld tot stand komt, dat ten opzichte van het eerste beeld een eindweegs in de associatie is verschoven. Omdat juist de belangrijke elementen van de indruk diegene zijn die aanstoot hebben gegeven, moet de vervangende herinnering gespeend zijn van dit belangrijke element; ze zal daarom al gauw banaal uitvallen. Ze schijnt ons onbegrijpelijk toe omdat wij de reden waarom ze in het geheugen bewaard is gebleven graag uit haar eigen inhoud willen opmaken, terwijl de reden toch gelegen is in de relatie van deze inhoud met een andere, onderdrukte inhoud. Een bepaalde belevenis uit de kindertijd komt, als ik mij van een populaire gelijkenis mag bedienen, in het geheugen tot gelding, niet zozeer omdat de belevenis zelf goud is, maar omdat het naast goud heeft gelegen. [onderstreping door mij]" (p. 870)

Het gaat dus om een verdringing (van de ingrijpende/belangrijke gebeurtenis) plus een vervanging door iets naburigs (in ruimte en tijd). Het feit dat een bepaalde gebeurtenis pijnlijk is motiveert de afweer maar kan de gebeurtenis niet volledig onderdrukken (omdat het van belang is dat ze onthouden wordt) en zo komt het compromis tot stand waarin een onschuldig beeld onthouden wordt waarachter een pathologische intensiteit schuilgaat. Freud wijst erop dat dit (onbewuste) proces van conflict (wel/niet onthouden/opslaan), verdringing (de nare gebeurtenis wordt verdrongen), en vervanging met gelijktijdige compromisvorming (een naburig, neutraal element/gebeurtenis wordt herinnerd) terugkomt bij alle psychoneurotische symptomen, 'het vormt de sleutel voor een goed begrip van de symptoomvorming (...)'. (p. 871).


Belangrijk om hier nog bij op te merken is dat de oorspronkelijke indruk in veel gevallen een bewerking heeft ondergaan. Herinneringen zijn veranderlijk en kunnen zich verschuilen achter dekherinneringen die in feite kinderfantasieën zijn. Dat we onze herinneringen vervalsen is gemakkelijk te achterhalen wanneer men bijvoorbeeld de ouders raadpleegt over de werkelijk plaatsgevonden gebeurtenis. Hierover vult Freud aan:

"Niet dat de scènes vrijelijk zijn verzonnen; ze zijn in zoverre vals dat ze een situatie naar een plaats verschuiven waar ze zich niet heeft voorgedaan, personen met elkaar versmelten of elkaar vervangen, of zich hoe dan ook als combinatie van twee geschieden voorvallen te kennen geven." (p. 882-883)

Het is niet zo dat we bewust ontrouw zijn aan ons verleden. Volgens onderzoek, zo zegt Freud, wijst het eerder uit dat zulke herinneringsvervalsingen van tendentieuze aard zijn, dat ze dus dienen om aanstootgevende of onwelgevallige indrukken te verdringen.

Dit gezegd hebbende mogen we volgens Freud betwijfelen of we daadwerkelijk bewuste herinneringen uit onze kinderjaren hebben, of veeleer alleen herinneringen aan onze kinderjaren bezitten.

"Onze infantiele herinneringen tonen ons de eerste kinderjaren niet zoals ze geweest zijn, maar zoals ze ons in latere tijden, toen ze werden opgewekt, zijn toegeschenen. In deze tijden van opwekking zijn de infantiele herinneringen niet, zoals men pleegt te zeggen, opgedoken, maar ze zijn toen gevormd; en een aantal motieven waarbij de bedoeling van historische trouw geen enkele rol van betekenis speelt, heeft deze vorming en de keuze van de herinneringen mede beïnvloed." (p. 883)

Huidig onderzoek naar geheugen en herinneringen wijst uit dat we inderdaad onze herinneringen vervalsen - inmiddels een algemeen bekend verschijnsel binnen de psychologie. Leze: interview met psycholoog Douwe Draaisma over geheugen.


Om het voorbeeld dat Freud (uit zijn eigen leven) beschrijft te lezen verwijs ik naar de link met het hoofdstuk. Het is geen eenvoudig voorbeeld en is niet kort samen te vatten hier.


Vorige blog

Volgende blog

Salvador Dalí, De duurzaamheid van het geheugen, 1931

115 keer bekeken

Voor suggesties, vragen of opmerkingen, graaf eerst in uzelf. Als dat u niet lukt:

  • Facebook Social Icon
  • White Instagram Icon

© 2018 by Reading Freud

  • Facebook - Black Circle
  • Black Instagram Icon