Deel 1-22 Inleiding in het 'Ontwerp' en nog een beetje fantasie

Bijgewerkt op: 8 jan. 2019

Boek 1 post 22: pagina 299 - 321


Ik begin vandaag met nog een paar kleine opmerkingen over fantasieën uit het hoofdstuk van gisteren (laatste pagina's van de manuscripten aan Fliess). Vervolgens heb ik de redactionele inleiding (pagina 308 - 321) gelezen die voorafgaat aan het volgende hoofdstuk dat we gaan lezen: Ontwerp van een psychologie. Een 105 pagina's tellend hoofdstuk - dat niet de makkelijkste belooft te worden omdat het naar verluid Freud's laatste (en enige?) poging is om de psychische mechanismen in fysiologische en neurologische termen te beschrijven. Misschien dat daarom de inleiding van de redactie zo uitgebreid is en alleen al 14 pagina's telt.


Maar nog even terug naar de laatste pagina's van het hoofdstuk Manuscripten met aantekeningen van Freud aan Fliess. Hij doet een aantal notitie-achtige uitspraken over fantasieën - die de vermelding waard zijn ware het alleen al om mijn persoonlijke interesse in het fantasieleven.


Grappig is dat zijn schrijven over fantasieën nogal uit de lucht komt vallen. Ik heb er in zijn werk tot nu toe niets over gelezen. Ineens komt hij met een zin - behorend onder het kopje Architectuur van de hysterie, waarin hij schrijft: (p. 299)

"Doel [bij hysterie] lijkt het bereiken van de oerscènes te zijn. Dit lukt bij sommige rechtstreeks, bij andere pas na omwegen over fantasieën. Fantasieën zijn namelijk psychische façades die worden opgetrokken om de toegang tot deze herinneringen te versperren. Fantasieën dienen tegelijkertijd de tendens om herinneringen te verfijnen, te sublimeren."

Met de eerste zin over oerscènes is mij niet duidelijk wat bedoeld wordt. Wat ik een interessante opmerking vindt is het idee dat fantasieën de functie zouden vervullen om de weg naar herinneringen te versperren. Ik denk dat daarmee bedoeld wordt dat de fantasie opkomt om daarmee niet aan bepaalde herinneringen te hoeven denken. Dus om een herinnering, voorstelling of gedachte uit de weg te gaan. Fantaseren is en blijft natuurlijk een vorm van escapisme. In die zin kan fantaseren pathologisch worden - maar hoeft het in mijn optiek niet altijd te zijn, getuige de vele kunst die aan de fantasie en verbeeldingskracht (is dat niet ook altijd een vorm van fantasie?) zijn bestaan ontleend. Freud ziet het in dit stadium van zijn werk in ieder geval als een voorloper van de hysterische symptomen. Freud heeft nog meerdere malen over de fantasie geschreven (in latere werken), wat ik weet uit een ander (zeer boeiend) boek "De kracht van het alleenzijn" van psychiater Anthony Storr. Daarin wordt Freud's schrijven over de fantasie als 'wensvervulling' geciteerd. Een voorbode dat we in ieder geval nog meer van Freud zullen tegenkomen over dit - in sommige opzichten ongrijpbare - onderwerp. Ongrijpbaar want, waaruit bestaat een fantasie? Ook die vraag stelt Freud zichzelf, maar het antwoord is moeilijk te volgen: (p. 299)

"Ze [fantasieën] zijn op basis van het gehoorde en achteraf benutte gefabriceerd en combineren aldus het beleefde en gehoorde uit het verleden (uit de geschiedenis van de ouders en voorouders) met wat men zelf heeft gezien. Ze verhouden zich tot het gehoorde als dromen tot het geziene. In de droom hoort men immers niets, men ziet."

Dit klinkt behoorlijk abstract. Een fantasiebeeld zou dus een samenvoeging zijn van eigen ervaringen (dat wat ik zelf gezien heb) en dat waar ik alleen maar over gehoord heb (via anderen). Dat samengevoegde beeld is dan de fantasie? Dit klinkt nog niet erg aannemelijk. Kan men niet puur fantaseren over dat wat men gezien heeft? Of hoopt te zien? Ik vind hier nog geen duidelijke antwoorden. Maar wacht, een paar pagina's verderop schrijft hij nog iets dat misschien verheldering geeft (en waarin hij een van mijn meest geliefde romans aanhaalt: Goethe's Het lijden van de jonge Werther): p. 306