Deel 1-11a Hysterische hypnose of hypnotische hysterie?

Bijgewerkt: mrt 6

Naar aanleiding van het vorige bericht deel ik hier het opstel dat ik in 2009 schreef als eerste opdracht voor de studie psychologie. De opdracht zelf heb ik terug gevonden op mijn computer en luidde als volgt:

Vergelijk de verklaringen voor de werking van hypnose gegeven door Bernheim (Nancy) en door Charcot (Parijs). Geef aan welke verklaring het beste past bij de cathartische methode die later werd gebruikt door Breuer en Freud.


Ik voeg het opstel toe omdat het enige verheldering kan bieden in de verschillen tussen Charcot's, Bernheim's en Freud's opvattingen over hypnose.


Hysterische hypnose of hypnotische hysterie?

Aan het eind van de negentiende eeuw heerste een tweedeling tussen klinische wetenschappers over de verklaring van de werking van hypnose. De ene groep bevond zich hoofdzakelijk in Nancy, de andere in Parijs. Hippolyte Bernheim, gesitueerd in Nancy, trok de heersende opvatting in twijfel dat hypnose afhankelijk was van de vermeende krachten van de hypnotiseur. Hij constateerde dat de belangrijkste factoren die een rol speelden bij hypnose zich bevonden in de patiënt en niet in de hypnotiseur. Hij vergeleek de verschillende sterktes in reactie op hypnose en concludeerde dat patiënten uit lagere sociale klassen beter te hypnotiseren waren dan die uit hogere klassen. Hij gaf hier de aannemelijke verklaring voor dat de lagere klasse sterker geconditioneerd was door gehoorzaamheid (en gevoeligheid voor suggestie) dan de hogere klasse en daarom meer vatbaar bleek voor hypnose.


Jean-Martin Charcot, die het Parijse front verdedigde, richtte zich op de gelijkenissen tussen hypnose en hysterie (een ziektebeeld dat epileptische kenmerken kende, maar dat niet onder de normale neurologie te categoriseren was). Hij bepleitte dat hypnose en hysterie aspecten van eenzelfde onderliggende, abnormale, neurologische aandoening waren. Hierbij zou de mate van hypnotiseerbaarheid in feite een symptoom van hysterie zijn.

Foto's: Bernheim en Charcot


Bernheim verwierp het idee dat hysterie een cruciale rol in hypnose speelde. Hij verdedigde de opvatting dat het veeleer van belang was hoe vatbaar een persoon was voor suggestie. De vatbaarheid (of gevoeligheid) van het individu voor hypnose was een kenmerk dat nauw verwant was met de vatbaarheid voor suggestie (ook suggestie die niet onder hypnose werd aangedragen) en die eveneens varieerde van mens tot mens. Bernheim definieerde suggestie als 'de aanleg om een idee om te zetten in een actie'. Mensen die zeer makkelijk te hypnotiseren waren, bleken volgens Bernheim sterker vatbaar voor suggestie. Hij stelde dat patiënten even effectief behandeld konden worden met overtuigingstechnieken als met hypnose. Een patiënt laten geloven dat hij genezen konden worden, was veelal voldoende om hem te genezen.


Charcot daarentegen, bleef zich concentreren op de relatie tussen hypnose en hysterie; ziektegevallen bij wie hypnose krachtig aansloeg vertoonden vaak symptomen zoals geheugenverlies, verlammingen en verrichtten daden die zij bij bewustzijn niet konden uitvoeren, gelijk aan de symptomen die hysterici lieten zien. Het was zelfs zo dat Charcot's 'zwaarste' hysterie-patiënten extra vatbaar waren voor hypnose en dat hun symptomen tijdens de hypnose intensiveerden. Charcot concludeerde hieruit dat hypnotische effecten en de symptomen van hysterie een gelijke oorzaak hadden. De gevoeligheid voor hypnose moest men zien als één van de vele symptomen van hysterie. Slechts mensen met een pathologisch zenuwstelsel konden volgens hem dit soort afwijkende effecten vertonen. De hysterie was daarmee een voorwaarde voor de hypnotiseerbaarheid en het optreden van de hypnotische effecten. Dit in tegenstelling tot Bernheim's mening, die volhield dat hypnotische vatbaarheid een variabele maar normale eigenschap van een mens was, ook van mensen die niet aan hysterie leden.


Charcot stelde drie stadia vast die een patiënt tijdens hypnose doorliep. Het eerste stadium was catalepsie (starheid van de armen en benen bij een verlaagd bewustzijn), gevolgd door lethargie (het lichaam is ontspannen maar vertoont sporadische samentrekkingen) en daaropvolgend somnambulisme (de gehypnotiseerde voert complexe taken en bewegingen uit door middel van suggestie). Bernheim, die in tegenstelling tot Charcot zijn patiënten zelf onder hypnose bracht, ontdekte wel tekenen van catalepsie en lethargie, maar dit werd volgens hem niet onvermijdelijk opgevolgd door somnambulisme. Bernheim gaf de bizarre setting van het ziekenhuis van Charcot de schuld van deze vreemde verschijnselen en vocht hem dan ook publiekelijk aan.



In de cathartische methode (reinigende methode), ontwikkeld door Breuer en toegepast door Freud, werd hypnose op een andere manier toegepast, namelijk indirect. Het werd als middel gebruikt bij hysterie-patiënten, om terug te gaan naar trauma's uit het verleden (die zich in het onderbewuste verborgen hielden) en deze naar het bewustzijn te brengen. Tijdens hypnose konden deze trauma's herleefd en verwerkt worden, waarna de hysterische symptomen van de patiënt afnamen. Breuer en Freud publiceerden hierover het werk Studies over hysterie. Daarin verklaarden ze dat hysterie-patiënten feitelijk alleen leden aan 'herinneringen'. Herinneringen als zijnde emotioneel geladen ervaringen, die de patiënt als het ware 'vergeten' was en (onopzettelijk) buiten het bewustzijn had opgeslagen en die daar tot ziekteverwekkende uitingen/ideeën leidden. Doordat de bijbehorende emotionele energie niet vrij kon komen omdat de ervaring onderdrukt was, kwam deze alsnog naar buiten in de vorm van hysterie. Dit noemden Freud en Breuer 'conversions', wat zoveel betekende als dat de emotionele energie (die onderdrukt werd) zich inwisselde voor fysieke energie (hysterische symptomen). Door de cathartische methode kon de oorzaak behandeld worden, met als gevolg dat de symptomen verdwenen. Een probleem dat zich echter voordeed was dat dit alleen effectief was bij patiënten die zeer diep onder hypnose gebracht konden worden en dat lukte lang niet bij iedereen.


De cathartische methode vertoonde gelijkenissen met het werk dat Charcot verrichtte met hypnose; beide methodes gingen uit van een relatie tussen hysterie en hypnose en werden exclusief toegepast in de behandeling van hysterie-patiënten. Het verschil was echter dat de cathartishe methode hypnose als middel gebruikte, in tegenstelling tot Charcot die hypnose en haar effecten tentoonstelde als zijnde een aspect of zelfs een gevolg van hysterie.

Bij Bernheim zagen we geen specifieke relatie met hysterie, maar juist met de algemene kenmerken van hypnose. Toch vertoont Bernheim's opvatting een kleine overeenkomst met die van Breuer en Freud, namelijk de variabiliteit in vatbaarheid voor hypnose. Freud ondervond met de toepassing van zijn cathartische methode regelmatig dat patiënten niet gemakkelijk te waren hypnotiseren. Het is waarschijnlijk dat Charcot dit probleem niet ondervond aangezien hij uitsluitend patiënten behandelde met hevige hysterie ('grande hysterie'), bij wie de vatbaarheid voor hypnose juist uitermate groot was.


Vorige blog

Volgende blog

110 keer bekeken

Voor suggesties, vragen of opmerkingen, graaf eerst in uzelf. Als dat u niet lukt:

  • Facebook Social Icon
  • White Instagram Icon

© 2018 by Reading Freud

  • Facebook - Black Circle
  • Black Instagram Icon