Deel 1-11a Hysterische hypnose of hypnotische hysterie?

Bijgewerkt op: 6 mrt. 2020

Naar aanleiding van het vorige bericht deel ik hier het opstel dat ik in 2009 schreef als eerste opdracht voor de studie psychologie. De opdracht zelf heb ik terug gevonden op mijn computer en luidde als volgt:

Vergelijk de verklaringen voor de werking van hypnose gegeven door Bernheim (Nancy) en door Charcot (Parijs). Geef aan welke verklaring het beste past bij de cathartische methode die later werd gebruikt door Breuer en Freud.


Ik voeg het opstel toe omdat het enige verheldering kan bieden in de verschillen tussen Charcot's, Bernheim's en Freud's opvattingen over hypnose.


Hysterische hypnose of hypnotische hysterie?

Aan het eind van de negentiende eeuw heerste een tweedeling tussen klinische wetenschappers over de verklaring van de werking van hypnose. De ene groep bevond zich hoofdzakelijk in Nancy, de andere in Parijs. Hippolyte Bernheim, gesitueerd in Nancy, trok de heersende opvatting in twijfel dat hypnose afhankelijk was van de vermeende krachten van de hypnotiseur. Hij constateerde dat de belangrijkste factoren die een rol speelden bij hypnose zich bevonden in de patiënt en niet in de hypnotiseur. Hij vergeleek de verschillende sterktes in reactie op hypnose en concludeerde dat patiënten uit lagere sociale klassen beter te hypnotiseren waren dan die uit hogere klassen. Hij gaf hier de aannemelijke verklaring voor dat de lagere klasse sterker geconditioneerd was door gehoorzaamheid (en gevoeligheid voor suggestie) dan de hogere klasse en daarom meer vatbaar bleek voor hypnose.


Jean-Martin Charcot, die het Parijse front verdedigde, richtte zich op de gelijkenissen tussen hypnose en hysterie (een ziektebeeld dat epileptische kenmerken kende, maar dat niet onder de normale neurologie te categoriseren was). Hij bepleitte dat hypnose en hysterie aspecten van eenzelfde onderliggende, abnormale, neurologische aandoening waren. Hierbij zou de mate van hypnotiseerbaarheid in feite een symptoom van hysterie zijn.

Foto's: Bernheim en Charcot


Bernheim verwierp het idee dat hysterie een cruciale rol in hypnose speelde. Hij verdedigde de opvatting dat het veeleer van belang was hoe vatbaar een persoon was voor suggestie. De vatbaarheid (of gevoeligheid) van het individu voor hypnose was een kenmerk dat nauw verwant was met de vatbaarheid voor suggestie (ook suggestie die niet onder hypnose werd aangedragen) en die eveneens varieerde van mens tot mens. Bernheim definieerde suggestie als 'de aanleg om een idee om te zetten in een actie'. Mensen die zeer makkelijk te hypnotiseren waren, bleken volgens Bernheim sterker vatbaar voor suggestie. Hij stelde dat patiënten even effectief behandeld konden worden met overtuigingstechnieken als met hypnose. Een patiënt laten geloven dat hij genezen konden worden, was veelal voldoende om hem te genezen.