3-19 De bron van lust is een besparing

Bijgewerkt: mrt 4

Boek 3 post 19: pagina 498 - 566 (totaal aantal gelezen pagina's: 2000)


Vandaag de laatste blog over het derde boek. De 2000e pagina is gelezen! Daarmee zijn we op één derde van ons project. In precies vijf maanden heb ik het derde boek uitgelezen, waar ik afgelopen oktober mee aanving. Dat geeft me nog tot 1 oktober om de resterende 4000 pagina's te lezen :-)

Three down, seven to go

Nee, ik houd het voorlopig bij twee boeken per jaar. Het zou mooi zijn als ik me tot 1 oktober aan boek 4 kan wijden, en dan vanaf 1 oktober elk jaar twee boeken kan voltooien. Dan zouden we 1 oktober 2023 klaar zijn. Dat is nu het streven en ik heb er alle vertrouwen in dat dit gaat lukken. De snelheid is vertraagd ten aanzien van mijn oorspronkelijke plan, maar ik realiseer me nu pas dat ik dit project nooit in twee jaar had kunnen volbrengen. Een werk als dit kan alleen op een 'psychoanalytisch tempo' gedaan worden. De materie heeft de tijd nooit nodig om te verteren.


Elk volbracht boek is weer een mijlpaal. Dit derde deel was van heel andere aard dan de vorige twee delen. Het las vlotter, de thematiek was wat lichter vanwege de concentratie op het dagelijks functioneren ('Psychopathologie van het dagelijks leven' en 'De grap en haar relatie met het onbewuste') in plaats van op de "neurotische" psychopathologie. De rode draad als vervolg op 'De droomduiding' (deel 2) is meer en meer het onbewuste. In het eerste deel zagen we het onbewuste langzaam zijn intrede doen in Freuds denken en schrijven. In De droomduiding werd zijn besef daarover meer geprononceerd en kwam het tot volle bloei, in dit derde deel lijkt het zich uitgebreid te hebben en begrepen we de betekenis en werkzaamheid ervan in het alledaagse, persoonlijke leven (in onze vergissingen en in onze grappen). Net als in de De droomduiding voorzag Freud zijn theorieën van veel persoonlijke voorbeelden. Ik miste in dit deel de echte 'case studies', de gevalsbeschrijvingen die we in deel 1 wel lazen en die ik toch boeiender vind dan het lezen van de grappen en dromen van zijn patiënten. In het vierde deel zullen we weer een aantal echte patiënten tegenkomen, o.a. een beroemde patiënte genaamd Dora.


Wat heeft het derde boek me gebracht? Een dieper inzicht in de rol die het onbewuste speelt in de vele facetten van het menselijk bestaan, niet alleen in het ontstaan van neurosen. Het lezen over de grap en de onbewuste vergissingen die we in het dagelijks leven begaan schept een grond om dieper te kijken naar deze fenomenen. Een belangrijke les die ik uit dit derde deel heb gehaald is dat alles wat we doen betekenis heeft, dat we als mens niets toevallig doen, ondanks dat we leven in een wereld die met toevalligheden gevuld is. Onze relatie tot die toevalligheden is steeds betekenisvol en niet arbitrair, ook al zijn we ons daar veelal niet van bewust. Ik zou willen zeggen dat we doelmatig onbewust handelen; er zijn diepere beweegredenen dan die waar we ons aan de oppervlakte van bewust zijn en deze sturen ons optreden in een wereld van omstandigheden. Ik lees daarin niet dat alles wat we doen voorbestemd is. Nee, we leven in lijn met wat onze wil ons ingeeft, maar die wil is wel gedetermineerd door onbewuste patronen die in de kindertijd zijn ontstaan. Mijn bewuste wil volgt dus mijn onbewuste wil. En die onbewuste wil komt in allerlei verschijningen naar de oppervlakte, in wat ik kies, in hoe ik me verspreek, in de grappen die ik maak, in mijn dromen. Ik kan het me het meest vinden in de eerder gebezigde uitspraak "Hier sta ik, ik kan niet anders" (leze blog 3-08). De vertaling naar de theorie zou dan zijn: 'Hier sta ik (ik heb vrij gekozen), ik kan niet anders (want ik kon gezien mijn geschiedenis niet(s) anders kiezen)'. 'De grap....' begon voor mij als een moeizaam stuk met grappen waar ik niet gevoelig voor was, maar de laatste hoofdstukken hebben me erg weten te fascineren. Het lezen over de genese van de grap, in relatie tot het spel van kinderen en hoe dat langzamerhand verandert van onzin en vrij denken naar geordend, logisch en aan regels gebonden denken, heeft mijn begrip over het onbewuste ook uitgebreid, maar stemt me (na de inhoud die hieronder volgt) ook enigszins treurig, omdat Freud blootlegt hoeveel we als volwassene van de 'pure lust' waar het kind over beschikt kwijtraken. Hierover lezen we vandaag nog een concluderende noot in de laatste pagina's van 'De grap en haar relatie met het onbewuste'.


We gaan over naar de razend interessante inhoud van de laatste, lange paragraaf van 'De grap....' getiteld De grap en de verschillende categorieën van het komische. Het stuk telt ruim 50 pagina's.


Freud doorgrondt in deze paragraaf de verschillende voorstellingen van het komische spectrum.

Ik kan het beste beginnen met de samenvatting die hij op de laatste pagina van het boek geeft, en dan terugwerkend de samenvatting van uitleg voorzien. Hij herleidt in dit stuk het mechanisme van de lust van de grap, van het komische en van het humoristische:

De lust van de grap kwam volgens ons voort uit bespaarde remmingsinspanning, die van het komische uit bespaarde voorstellings(bezettings)inspanning en die van humor uit bespaarde emotionele inspanning. In alle drie werkwijzen van ons psychische apparaat is de bron van lust een besparing; alle drie stemmen hierin overeen dat ze methoden zijn om uit de psychische activiteit een lust te herwinnen die eigenlijk eerst door de ontwikkeling van deze activiteit verloren is gegaan. Want de euforie die we via deze wegen nastreven, is niets anders dan de stemming van een levensfase waarin wij al onze psychische arbeid met geringe inspanning plachten te verrichten, de stemming van onze kinderjaren, waarin we het komische niet kenden, geen grappen konden maken en humor niet nodig hadden om ons in het leven gelukkig te voelen. (p. 547)

Freuds conclusie leidt dus terug naar de kindertijd. In de kindertijd kenden we volgens hem alleen pure lust (d.w.z. lust ontdaan van alle motieven anders dan om gewoon lust te beleven), nog geen bewust zoeken naar lust via grappen of humor, maar de lust om de lust, lust om het leven zou je kunnen zeggen. Dat kinderen zich niet hoeven te bedienen van 'hulpmiddelen' als grappen en humor, legt Freud uit via een aantal verschillende aspecten van het komische. Waarom kan een kind pure lust ervaren en een volwassene niet?

Het antwoord is gelegen in het feit dat het kind nog niet belemmerd is door remmingen!


Hij start met een vergelijking tussen de grap en 'het naïeve' en verschaft ons daarmee inzicht in het gemak waarmee kinderen over remmingen heenstappen (omdat deze simpelweg afwezig zijn) die de volwassene wel kent - wat vervolgens door de volwassene als grappig wordt bevonden. Het naïeve is dus een grensgeval van de grap. Bij de grap hebben beide personen remmingen. Bij het naïeve niet. Een kind kan iets zeggen omdat het nog geen remmingen heeft, en dit is voor de ander dan een grap. De grap wordt gemaakt zonder dat kind het doorheeft.

Het naïeve ontstaat wanneer iemand volledig over een remming heenstapt omdat deze remming bij hem afwezig is, wanneer hij haar dus moeiteloos lijkt te overwinnen. Conditie voor de werking van het naïeve is dat het ons bekend is dat hij deze remming niet bezit, anders noemen we hem niet naïef maar brutaal, lachen niet om hem maar zijn verontwaardigd. (...) Een remmingsinspanning die we uit gewoonte maken, wordt door het aanhoren van de naïeve uitlating plotseling onbruikbaar en door lachen afgevoerd (...). (p. 499)

Teruggrijpend op het gegeven dat remmingen gaandeweg de kindertijd ontstaan (terug te lezen in wat Freud schrijft over hoe het spelen zich ontwikkelt tot de grap - blog 3-16) is het niet verbazingwekkend dat het naïeve het meest bij kinderen wordt aangetroffen. Hun naïeve uitlatingen kan men moeiteloos als 'naïeve grappen' betitelen. Een voorbeeld vertelt het verhaal van kinderen die een eigen bedacht toneelstuk opvoeren waarbij een kind als (volwassen) schipper enkele jaren weg is en zijn vrouw achterlaat, terugkomt en haar zijn vangst aan schatten laat zien. Het meisje (dat de vrouw van de schipper speelt) vertelt trots dat ze in de tussentijd ook niet stil heeft gezeten en toont hem een bed vol kinderen (poppen) die ze in de tussentijd heeft gekregen. Het uit volwassenen bestaande publiek moet hardop lachen, waarna de kinderen verbaasd opkijken. Voor de volwassenen is het duidelijk dat de vrouw (het meisje) in de afwezigheid van de schipper vreemd gegaan moet zijn om de kinderen te baren. De kinderen die het toneelspel opvoeren hebben echter nog geen weet van de omstandigheden waaronder baby's ontstaan en zien dus de eigen (naïeve) absurditeit van wat ze opvoeren niet in.

Dit voorbeeld laat zien dat kinderen in hun uitlatingen geen bijbedoeling hebben, en ook geen lustwinst uit hun uitlating halen. Het kind produceert eigenlijk met een gecompliceerde techniek (indirecte uitbeelding: het laat de poppen zien om te laten zien dat ze is vreemd gegaan - alleen weet het kind niet wat vreemdgaan is) een grap. Deze techniek, die bij grappen dient om de remming door rationele kritiek te verlammen, brengt het kind moeiteloos op omdat het de remmingen nog niet bezit, zodat hij onzin en vuile praat zonder omwegen kan laten horen. Bij de gewone grap is het juist van belang dat de twee personen ongeveer dezelfde remmingen hebben. Bij de naïeve uitlating is juist vereist dat de ene persoon remmingen heeft die de ander mist. Bij de toehoorder van het naïeve komt nu lust vrij. En deze lust zou door opheffing van een remming ontstaan, net zoals bij de gewone grap (zoals al uitgelegd in blog 3-17).

[O]m het naïeve te kunnen erkennen, moeten [wij] weten dat de innerlijke remming bij de producerende persoon ontbreekt. Alleen wanneer dit gegarandeerd is lachen we in plaats van dat we verontwaardigd raken. Wij nemen dus de psychische toestand van de producerende persoon in aanmerking, verplaatsen ons in deze toestand, pogen hem te begrijpen door hem met de onze te vergelijken. Uit dit inleven en vergelijken resulteert een besparing aan inspanning, die we door lachen afvoeren. (p. 502)

We verplaatsen ons dus in de toestand van de ander om diens naïviteit terecht of onterecht te kunnen constateren en hem te vergelijken met onze eigen remmingen. Uit die vergelijking treedt een verschil op. We zien dat de ander over een remming heenstapt (op naïeve wijze), waardoor wij ook die remming kunnen laten varen en tevens niet verontwaardigd hoeven te reageren. Dit levert dus een besparing aan remmingsinspanning.


Freud trekt nu het mechanisme van verplaatsen in en vergelijken met de producerende persoon door naar het brede gebied van 'het komische'. Het komische is meestal een onopzettelijke vondst ontleend aan de sociale betrekkingen tussen mensen, anders dan een grap die intentioneel gemaakt wordt. Het komische wordt bij personen aangetroffen, in hun bewegingen, gedragsvormen, handelingen en karaktertrekken. Door een zeer gebruikelijke vorm van personifiëring worden vervolgens ook dieren en levenloze objecten komisch. Komisch kan gebonden zijn aan situaties. We kunnen onszelf en ook een ander komisch maken door hem in een bepaalde situatie te plaatsen, door imitatie, vermomming, ontmaskering, karikatuur en parodie. Er zijn dus vele vormen waarin het komische optreedt (soms met agressieve tendensen). Om duidelijkheid te krijgen over dit brede scala aan komische mogelijkheden kiest Freud als uitgangspunt het komische van bewegingen (omdat de primitiefste vorm van acteren, de pantomime, zich van dit middel bedient om ons aan het lachen te maken).

Een clown bijvoorbeeld, maakt ons aan het lachen omdat zijn bewegingen ons overdreven en ondoelmatig aandoen. We lachen om de al te grote inspanning die we bij hem zien. De bewegingen van een kind komen ons niet komisch voor, hoewel kinderen spartelen en springen. Komisch is wel wanneer een kind bijvoorbeeld zijn tong uitsteekt als hij geconcentreerd aan het schrijven is; dit toont dan een overbodige bewegingsinspanning, die wij bij diezelfde bezigheid zouden besparen. Evenzo vinden we andere vormen van meebewegen of alleen extreme verstrekte uitdrukkingsbewegingen ook bij volwassenen komisch. Van dit komische van bewegingen takt ook het komische van lichaamsvormen en gelaatstrekken af.

Maar waarom moeten wij lachen nadat we hebben ingezien dat de bewegingen van iemand anders overdreven en ondoelmatig zijn?

Freud zoekt het antwoord in de vergelijking tussen de aan de ander geobserveerde beweging en de beweging die ikzelf in plaats daarvan zou hebben uitgevoerd. De twee vergeleken termen worden volgens dezelfde maatstaf beoordeeld, namelijk mijn met de voorstelling van de beweging verbonden innervatie-inspanning. Dit vraagt om extra uitleg: we hebben bewegen van oorsprong door imitatie aangeleerd en weten door ervaring hoeveel moeite ons een bepaalde (grote of kleine) beweging kost. Als ik nu een ander zie bewegen maak ik mij een voorstelling van de inspanning die die beweging moet kosten. Om te begrijpen hoe groot die inspanning is moet ik me een voorstelling maken van die beweging en deze vergelijken met hoe ik die beweging zelf uit zou voeren en hoeveel inspanning dat van me zou vragen. We maken ons die voorstelling door de beweging denkbeeldig te imiteren.

Die drang tot imiteren doet zich stellig bij het waarnemen van bewegingen voor. In werkelijk realiseer ik de imitatie echter niet, zomin als ik nog spel nadat ik door te spellen heb leren lezen. Het imiteren van de beweging door mijn spieren vervang ik door het voorstellen ervan door middel van mijn herinneringssporen van de inspanningen bij soortgelijke bewegingen. Het voorstellen of 'denken' onderscheidt zich van het handelen of uitvoeren vooral doordat hierbij veel en veel minder bezettingsenergie wordt verplaatst en het wegvloeien van de centrale inspanning wordt tegengehouden. (p. 507)

Bij dit voorstellen van de beweging lopen ook innervaties naar de spieren (!), maar deze vragen een veel bescheidener inspanning dan de beweging daadwerkelijk te maken. Het denken aan een beweging stuurt dus ook hersenimpulsen naar de bewegingscentra in de hersenen (dit is inmiddels neurologisch ook bewezen met moderne scantechnologie). Zie ik nu een ander overdreven grote bewegingen maken, dan vergelijken we deze waargenomen beweging met die van onszelf (dit kunnen we omdat we van onze eigen beweging innerlijk een voorstelling kunnen maken). We kunnen dus innerlijk taxeren dat de overdreven beweging van de ander veel meer inspanning kost dan hoe wijzelf de gewone/niet overdreven beweging zouden maken.

We hoeven ons dus alleen de voorstelling te maken en de vergelijking te maken, en besparen ons de moeite om de beweging na te moeten doen om op die manier te weten te komen dat onze beweging in vergelijking met de ander kleiner of doelmatiger is. We hoeven niet letterlijk de beweging na te doen om te ondervinden dat wij het makkelijker kunnen, we hoeven ons er alleen de voorstelling van te maken. De energie die we daarmee besparen, levert een lustwinst op.


Wat opgaat voor het vergelijken van bewegingen, zou ook opgaan voor geestelijke prestaties en karaktertrekken. Het gaat daar ook om een vergelijking tussen de ander en ikzelf. Maar hierbij pakt de vergelijking anders uit. Bij de vergelijking in bewegingen vinden we het komisch dat de ander zich meer inspanning had getroost dan ik dacht te gebruiken; bij psychische prestaties wordt het daarentegen komisch wanneer de ander zich een inspanning heeft bespaard die ik noodzakelijk acht, want onzin en domheid zijn onvolwaardige prestaties. Het gaat dus om het verschil dat we opmerken in de vergelijking.

Wij vinden dus iemand komisch die zich, vergeleken met onszelf, voor zijn lichamelijke verrichtingen te veel en voor zijn psychische prestaties te weinig inspant, en het valt niet te ontkennen dat ons lachen in deze beide gevallen de uitdrukking van een als lust ervaren superioriteit is die we onszelf tegenover hem toekennen. Zodra de verhouding in beide gevallen andersom komt te liggen, de somatische inspanning van de ander kleiner en zijn psychische inspanning groter wordt bevonden dan de onze, dan lachen wij niet meer, dan staan we verbaasd en voelen bewondering (p.510-511)

Deze als lust ervaren superioriteit zien we ook terug bij andere vormen van het komische, bijvoorbeeld bij het komisch maken van anderen, zoals in de karikatuur, de imitatie, de parodie en de ontmaskering. Ook deze vormen beschrijft Freud uitgebreid, maar het reikt te ver om deze ook allemaal hier samen te vatten. Ze zijn voor het overkoepelende begrip van het komisch ook niet noodzakelijk. Wat betreft het komisch volstaat dat het gaat om een besparing aan voorstellings(bezettings)inspanning.

Tot zover kunnen we concluderen dat de vergelijking in het verschil in inspanning (in bewegingen of geestelijke inspanningen) de basisconditie vormt voor komische lust. Tegelijkertijd kunnen we de vraag stellen waarom de vergelijking niet in alle gevallen komische lust oplevert. Een belangrijk gegeven in dit geheel is de situatie, die medebepalend is voor het komische.

Zo noemt hij een aantal condities die meespelen:

a. Een gunstige conditie is de vrolijke stemming; wanneer men in de stemming om te lachen is, bij besmettelijke hilariteit lijkt haast alles komisch.

b. De verwachting van het komische maakt ons ontvankelijk voor komische lust. Zijn wij voorbereid op komisch vermaak dan zijn kleine verschillen tussen onszelf en de ander al voldoende om als komisch bevonden te worden.

c. Ongunstige condities zijn de psychische toestanden die het individu op dat moment in beslag nemen. Als de denkarbeid met ernstige zaken bezig is, stoort dit het vermogen tot afvoer van de bezettingen; het denken heeft de inspanning immers nodig. Alleen grote verschillen in vergelijking (inspanningsdifferenties) kunnen dan met succes komische lust doen ontstaan.

d. De vergelijking die we maken met onszelf en de inspanning van de ander moet automatisch blijven, men moet er niet over hoeven nadenken, wil het komisch blijven. Als we lang moeten nadenken of we iets komisch vinden, dan neemt de komische lust af.

e. Het is buitengewoon storend voor het komische wanneer de situatie waaruit het moet ontstaan tegelijk aanleiding tot het vrijkomen van een sterk pijnlijk affect geeft. Wekt een situatie pijn, verdriet of bijvoorbeeld boosheid op, dan zal er geen komische lust ervaren worden. De afhankelijkheid of relativiteit van het komische is daarom veel groter dan die van grappen, die nooit zomaar ontstaan maar gemaakt worden.


Dan volgt en boeiende exercitie over het ontstaan van het komische bij het opgroeiende kind. De oorsprong van de grap had Freud eerder al ontwaard in het door de rationele kritiek verboden spelen van kinderen met woorden en gedachten (blog 3-16). Wat betreft de relatie tot het komische:

Kinderen zelf zijn in onze ogen volstrekt niet komisch, hoewel hun natuur aan alle condities voldoet die bij vergelijking met onze natuur een komische differentie opleveren: de overdreven bewegings- en geringe geestelijk inspanning, de onderworpenheid van de psychische functies aan de lichamelijke en nog andere trekken. Kinderen maken alleen een komische indruk op ons wanneer ze zich niet als kind maar als ernstige volwassene gedragen, en dan op dezelfde wijze als andere mensen die zich vermommen; zolang ze echter hun eigen natuur bewaren, bezorgt het observeren van hen ons een zuivere, misschien aan het komische herinnerde lust. We noemen hen naïef voor zover ze ons hun gebrek aan remmingen tonen, en noemen naïef-komisch hun uitingen die wij bij een ander obsceen of geestig zouden hebben geoordeeld. (p. 535)

Kinderen missen zelf ook het gevoel voor het komische, omdat ze nog geen remmingen hebben. Het komische ontstaat pas op een bepaald moment in de psychische ontwikkeling van het kind. Het kán volgens Freud ook niet anders, wanneer men in acht neemt dat het komische gevoel voortkomt uit een inspanningsdifferentie die zich bij het begrijpen van de ander voordoet.

Laten we weer het komische van bewegingen als voorbeeld kiezen. De vergelijking die de differentie oplevert, luidt in bewuste formules gegoten: 'Zo doet hij het' en: 'Zo zou ik het doen, zo heb ik het gedaan.' Maar een kind mist de in de tweede zin opgesloten maatstaf, het begrijpt gewoon door imitatie, het doet het net zo. De opvoeding begiftigt kinderen met de norm: 'Zo moet je het doen'; hanteren ze deze norm nu bij de vergelijking, dan zijn ze geneigd te concluderen: 'Die heeft het niet goed gedaan', en: 'Ik kan het beter.' In dit geval lacht het kind om de ander, het lacht hem uit in het besef van zijn superioriteit. Niets belet ons ook dit lachen af te leiden uit de inspanningsdifferentie, maar naar analogie van de gevallen waarin wijzelf anderen uitlachen, mogen we concluderen dat een kind, wanneer het uit superioriteit lacht, het komische gevoel niet bespeurt. Het is een lachen uit pure lust. (...) Zou men mogen generaliseren, dan is de verleiding groot om de gezochte specifieke aard van het komische te ontwaren in het opwekken van het infantiele, om het komische te begrijpen als het herwonnen 'verloren kinderlachen'. Men zou dan kunnen zeggen: 'Ik lach om een inspanningsdifferentie tussen de ander en mezelf, telkens wanneer ik in die ander het kind terugvind.' Of nauwkeuriger geformuleerd zou de complete vergelijking die tot het komische herleidt, luiden: 'Zo doet hij het - ik doe het anders - die doet het zoals ik het als kind heb gedaan.' Dit lachen zou dus steeds betrekking hebben op de vergelijking tussen het Ik van de volwassene en het Ik in de kinderjaren. (p. 535-536)

Die 'Ik' in de kinderjaren is natuurlijk ook een kind geweest die hulpeloos was in allerlei situaties (zoals kinderen dat nu eenmaal zijn), en daaraan ontleent het komische in de volwassenheid ook vaak zijn betekenis. We zien het benarde in van situaties en weten dat we dit als kind ook mee hebben gemaakt (bijvoorbeeld de plas niet kunnen ophouden), en kunnen erom lachen als we een volwassene dit zien doen omdat wijzelf dit als volwassene inmiddels wel kunnen.

Dan tot slot de humor. We hebben inmiddels gezien dat een sterk (pijnlijk) affect de sterkste hinderpaal voor het komische effect vormt. Wanneer er sterke emoties opgeroepen worden in een situatie, dan blijft het komische afwezig. Humor zou volgens Freud een middel zijn om lust te winnen ondanks de pijnlijke gevoelens die deze lust storen; humor vervangt de affectontwikkeling, neemt haar plaats in. De conditie voor humor is gegeven wanneer zich een situatie voordoet waarin wij geneigd zijn een pijnlijk affect te ervaren, en wanneer nu motieven op ons inwerken om dit affect direct na de vorming ervan te onderdrukken. Van alle vormen van het komische is humor het lichtst te bevredigen; het proces voltrekt zich al in één persoon, de deelname van een ander voegt er niets nieuws aan toe.

Humor is dus iets anders dan het komische. Het komische overvalt ons, doet zich ongemerkt voor en zet aan tot lachen. Humor ziet Freud als een afweerproces. Wanneer we bij een ander iets pijnlijks zien, maar hij maakt in plaats van de pijn te uiten een humoristische opmerking over zijn pijn of de situatie waarin hij zich bevindt, dan hoeft de toehoorder zich het medelijden te besparen, hij ziet immers dat de persoon in kwestie dit ook doet en de pijn niet benoemt. Als gevolg van dit begrijpen wordt de voor medelijden benodigde inspanning, die al paraat in ons (als toehoorder) was, onbruikbaar en door ons 'afgelachen'. Zo is bespaard medelijden een van de meest voorkomende bronnen van humoristische lust. Maar we besparen onszelf ook pijn wanneer het affect aflachen door de humoristische kant te benoemen.

Freud ziet humor als de meest hoogstaande van de afweerfuncties.

Humor versmaadt het de met het pijnlijke affect geassocieerde voorstellingensinhoud aan de bewuste aandacht te onttrekken, zoals de verdringing dat doet, en overwint daarmee het afweerautomatisme; humor speelt dit klaar door de middelen te vinden om aan de vrijkoming van paraat gehouden onlust haar energie te ontnemen en deze onlust door afvoer om te zetten in lust. Het is zelfs denkbaar dat het wederom de samenhang met het infantiele is die de humor de middelen voor deze prestatie ter beschikking stelt. Alleen in het kinderleven zijn er hevige pijnlijke affecten geweest waar de volwassene nu om zou glimlachen, zoals hij als humorist om zijn huidige pijnlijke affecten lacht. De verheffing van zijn Ik, waarvan de humoristische verschuiving getuigenis aflegt - want haar vertaling zou luiden: 'Ik ben te groot(s) dan dat deze aanleidingen mij pijnlijk zouden treffen' - zou hij wel eens aan de vergelijking van zijn huidige met zijn kinderlijke Ik kunnen ontlenen. (p. 544-545)

We vergelijken dus ons huidige toestand met die van hoe we als kind waren en concluderen: hier laat ik me niet meer door raken (ik wil die pijn niet meer voelen, en haar lacht het weg).

Zo komen we terug bij onze samenvatting waarvan ik jullie aan het begin van dit opstel reeds voorzag:

De lust van de grap kwam volgens ons voort uit bespaarde remmingsinspanning, die van het komische uit bespaarde voorstellings(bezettings)inspanning en die van humor uit bespaarde emotionele inspanning. In alle drie werkwijzen van ons psychische apparaat is de bron van lust een besparing; alle drie stemmen hierin overeen dat ze methoden zijn om uit de psychische activiteit een lust te herwinnen die eigenlijk eerst door de ontwikkeling van deze activiteit verloren is gegaan. Want de euforie die we via deze wegen nastreven, is niets anders dan de stemming van een levensfase waarin wij al onze psychische arbeid met geringe inspanning plachten te verrichten, de stemming van onze kinderjaren, waarin we het komische niet kenden, geen grappen konden maken en humor niet nodig hadden om ons in het leven gelukkig te voelen. (p. 547)

Zo sluiten wij 'De grap en haar relatie met het onbewuste' af. Wat een boeiend inzicht in de relatie van de volwassene tot zijn/haar kinderleven.


Het derde deel eindigt met een aantal korte werken van Freud stammend uit de periode 1901-1905. Dit zijn stukjes van een halve pagina, meestal voorwoorden van een boek van een andere auteur, of een kritiek op andermans werk gepubliceerd in een krant. Inhoudelijk niet de moeite om hier over te nemen; ofwel Freud onderschrijft de mening van de auteur die hij recenseert, of hij verwerpt deze.


Op naar het vierde deel!


Vorige blog

Volgende blog

113 keer bekeken

Voor suggesties, vragen of opmerkingen, graaf eerst in uzelf. Als dat u niet lukt:

  • Facebook Social Icon
  • White Instagram Icon

© 2018 by Reading Freud

  • Facebook - Black Circle
  • Black Instagram Icon