Deel 2-17 Koning Oedipus

Bijgewerkt op: 8 mrt. 2020

Boek 2 post 17: pagina 256 - 270 (totaal aantal gelezen pagina's 1140)


Vandaag de laatste pagina's van de dromen over de dood van dierbare personen. In de blog van gisteren kwamen de dromen over de dood van broers en zussen aan bod. Vandaag de 'typische' droom waarin onze ouders het onderspit delven. Het is een wat lange blog geworden, met veel citaten, omdat Freud de dingen toch een stuk duidelijker weergeeft dan dat ik het kan samenvatten.


Redelijk onverwachts duikt in deze paragraaf voor het eerst de mythe van Oedipus op, een ieder welbekend wegens het daaraan ontleende Oedipus-complex. Omdat dit een van de meest besproken en bediscussieerde onderwerpen in de theorie van Freud is, liet het mij direct nadenken over wat voor uitleg of aanvullende literatuur ik daarover zou kunnen geven. Misschien dat ik daar later plaats voor kan maken. Ik voel er toch het meeste voor om mezelf strikt tot de originele tekst van Freud te beperken.


Gisteren lazen we dat de doodswens gericht naar onze broeders en zusters terug te voeren is naar onze kindertijd, waarin rivaliteit in de strijd om aandacht maar ook om bezittingen (speelgoed) 'doodnormaal' lijken te zijn. De doodswens gericht naar één van de ouders is een net iets ander verhaal. Hier zal Oedipus zijn intrede doen.

"Indien nu de doodswens van het kind tegen zijn broers en zusters wordt verklaard door het egoïsme van het kind, dat maakt dat het zijn broers en zusters als concurrenten ziet, hoe moet men dan de doodswens tegen de ouders verklaren, die voor het kind de schenkers van liefde en de bevredigers van zijn behoeften zijn en wier behoud het juist uit egoïstische motieven zou moeten wensen? De oplossing van deze moeilijkheid wordt ons aan de hand gedaan door het empirische gegeven dat de dromen over de dood van de ouders in overheersende mate op de ouder betrekking hebben die het geslacht van de dromer deelt, dat dus de man meestal over de dood van zijn vader, de vrouw over de dood van haar moeder droomt. Ik kan dit niet voor een wetmatigheid laten doorgaan, maar het prevaleren in de aangeduide zin is zo evident dat het om een verklaring door een factor van algemene betekenis vraagt. Ruw geformuleerd is het alsof een seksuele voorliefde al vroeg haar invloed doet gevoelen, alsof de jongen de vader, het meisje de moeder als rivaal in de liefde beschouwt, wiens uitschakeling hem alleen maar voordeel kan opleveren." (p.256)

In de laatste zin ligt meteen de kern van het Oedipus-complex vervat (zie link), hoewel Freud in 1909 deze term pas voor het eerst zal gebruiken. De aanname die hij hier doet zal op z'n minst vraagtekens oproepen. Bij mij in ieder geval wel. Laten we eerst kijken wat Freud aan uitleg geeft. Hij is zich ervan bewust dat men deze voorstelling van zaken als monsterachtig zou kunnen verwerpen. Hij vraagt de lezer echter naar de reële betrekkingen tussen ouders en kinderen te kijken, en niet die door de cultuur zijn opgelegd; wat gebeurt er tussen kinderen en hun ouders in plaats van hoe zouden kinderen zich tegenover de ouders op moeten stellen (opgelegd vanuit de cultuur). Met dit laatste doelt hij onder meer op het vierde gebod ('Gij zult uw vader en uw moeder eren'). Freud brengt een duidelijke scheiding hierin aan.

"In de relatie tussen ouders en kinderen ligt meer dan één reden tot vijandigheid verborgen; de voorwaarden voor het ontstaan van wensen die tegenover de censuur geen stand houden, zijn in overvloedige mate gegeven. Laat ons eerst stilstaan bij de relatie tussen vader en zoon. Ik ben van mening dat de heiligheid die wij de voorschriften van de Tien Geboden hebben toegekend, onze zin voor het waarnemen van de werkelijkheid afstompt. Wij durven misschien nauwelijks te constateren dat het grootste deel van de mensheid over de naleving van het vierde gebod heen stapt. Zowel in de onderste als in de hoogste lagen van de menselijke samenleving pleegt de piëteit [= eerbied] jegens de ouders voor andere belangen plaats te maken. De vage berichten die ons in mythologie en sage uit de grijze voortijd van de menselijke samenleving hebben bereikt, geven een onverkwikkelijke voorstelling van de machtsvolkomenheid van de vader en van de meedogenloosheid waarmee die macht werd gebruikt." (p.256)

Freud somt hierbij een aantal voorbeelden uit de mythologie op waarin de macht van de vader verstrekkende gevolgen heeft.