Deel 2-02 De koninklijke weg naar het onbewuste

Bijgewerkt op: 7 mrt. 2020

Boek 2 post 02: pagina 30 - 48 (totaal aantal gelezen pagina's: 924)


"De koninklijke weg naar het onbewuste", zo kroonde Freud de droomwereld en haar verborgen schatten. Geen wonder dat 'De droomduiding' zijn magnum opus zou worden. Maar voordat Freud het gebied van de dromen betrad, was deze wondere en ongrijpbare wereld al vele malen beschreven en onderzocht. In het eerste hoofdstuk van 'De droomduiding', geeft Freud een overzicht van de tot dan toe beschikbare opvattingen en onderzoekingen die over het droomleven bekend waren. Het hoofdstuk 'De wetenschappelijke literatuur over de droomproblematiek' telt 84 pagina's en bevat vele citaten over de betekenis, de inhoud, de waarde van dromen, zowel van onderzoekers, filosofen als bekende auteurs uit voorbije dagen.

Freud en zijn vrouw Martha in 1900 - foto via Freud Museum London

Freud opent 'De droomduiding' met veelbelovende woorden, die zijn lezers verwachtingsvol zouden moeten doen stemmen:

"Op de volgende bladzijden zal ik het bewijs leveren dat er een psychologische techniek bestaat die het mogelijk maakt dromen te duiden, en dat bij toepassing van deze methode elke droom een zinvol psychisch product blijkt te zijn, waaraan een aanwijsbare plaats in het psychisch bedrijf van de waaktoestand kan worden gegeven." (p. 30)

Hij vangt aan met de geschiedenis van het 'droomwerk'. Ondanks dat dromen al duizenden jaren bestudeerd worden, zou het wetenschappelijke begrip over dit enigmatische onderwerp weinig gevorderd zijn. Helaas gaat Freud niet in op de betekenis die dromen in de oertijd moeten hebben gehad. Wel gaat hij zover te zeggen dat de toen heersende kijk op de droom zijn sporen nagelaten zal hebben op de volkeren in de tijd van de klassieke Oudheid. In dat tijdperk gold de opvatting dat dromen in verband stonden met de wereld van het bovenmenselijke. Dromen werden verondersteld openbaringen van goden en demonen te brengen. Er werd aangenomen dat de droom voor de bestemde persoon een belangrijke bedoeling zou hebben, meestal om diens toekomst te voorspellen. Aristoteles zou aan de droom een andere positie toeschrijven. De droom zou niet door een god gezonden zijn, maar van demonische aard zijn omdat hij, net als de mens, uit de natuur afkomstig is, en de natuur vernomen werd demonisch te zijn. Aristoteles positioneert de droom als een psychologische, van de mens uitgaande akte. De droom is een voortbrengsel van de dromende ziel, en niet een ingeving van goddelijke hand. Er werd een onderscheid gemaakt tussen waardevolle, voorspellende dromen, en bedrieglijke en onbeduidende dromen die de mens op een dwaalspoor zouden brengen of hem in het verderf zouden doen storten. Een andere theorie die na de Oudheid enkele eeuwen aanhield was dat dromen in twee klassen onder te delen waren: dromen die door het heden beïnvloed waren en voor de toekomst geen betekenis hadden, en de andere klasse waarin dromen een voorspellende werking hadden, of symbolisch van aard waren en uitlegging behoefden. Omdat men in de regel van de droom iets belangrijks verwachte, bijvoorbeeld een voorspelling of een uitsluitsel over een bepaalde zaak, maar men de droom vaak niet onmiddellijk begreep, is het duiden van de droom altijd een belangrijke aangelegenheid geweest. Freud noemt Artemidorus van Daldis als een grootheid op dit gebied. Freud besluit dit korte stukje inleiding met de vaststelling dat ondanks de vergaarde kennis die er tot dan toe was over dromen, er geen vooruitgang in die kennis viel te bespeuren. Iedere nieuwe onderzoeker moest volgens hem weer opnieuw beginnen vanaf de oorsprong, het ontbrak aan een fundament van inzichten waarop men verder kon bouwen.