Deel 2-14 Bewaker van de slaap

Bijgewerkt: mrt 8

Boek 2 post 14: pagina 224 - 242 (totaal aantal gelezen pagina's 1113)


Na de infantiele droombronnen behandeld te hebben vervolgt Freud met de somatische, waarover in het eerste hoofdstuk al een en ander bekend werd aan de hand van de bestaande literatuur (leze blog deel 2-03). Even recapituleren: er konden drie somatische prikkelbronnen onderscheiden worden, te weten

1. objectieve sensorische prikkels uit de buitenwereld (geluid, licht etc.),

2. subjectieve innerlijke excitaties van de zintuigen (b.v. lichtflitsen zien terwijl de ogen gesloten zijn)

3. inwendige lichaamsprikkels (darmbewegingen, ademhaling etc.).


De auteurs die Freud in hoofdstuk 1 aanhaalde kwamen tot de slotsom dat dromen primair door zenuw- en lichaamsprikkels ontstaan. Daarmee sloten ze de mogelijkheid dat de droom een psychische component had niet volledig uit, maar reduceerden het aandeel daarvan tot in de periferie. Anderen zagen de zenuwprikkeldromen als een subcategorie, naast de associatiedromen. Voor Freud waren deze aannames ontoereikend, omdat ze een groot aantal vragen onbeantwoord lieten. De auteurs verklaarden bijvoorbeeld niet waarom zenuwprikkeldromen weinig frequent optreden, en waarom lichaamsprikkels in de droom vaak vervormd worden (b.v. het horen van een wekker vervormt tot een ander geluid in de droom).

Teasing a Sleeping Girl,ca. 1760 Gaspare Traversi - Metropolitan Museum of Art NY

Maar hoe konden de auteurs waarover Freud spreekt ook beter weten? Zij hadden natuurlijk nog geen nota genomen van de methode van De Droomduiding: (p.231)

"Zolang de theorie van de somatische droombronnen ons bezighield, heb ik steeds nagelaten het argument te berde te brengen dat uit onze droomanalyses voortvloeit. Indien wij door een procedé dat andere auteurs niet op hun droommateriaal hadden toegepast, hebben kunnen bewijzen dat de droom een specifieke waarde als psychische akt heeft, dat een wens het motief voor zijn vorming is en dat in de eerste plaats de belevenissen van de voorgaande dag de grondstof voor zijn inhoud vormen, dan is elke andere droomleer die een zo belangrijke methode van onderzoek veronachtzaamt en bijgevolg de droom als een nutteloze en raadselachtige psychische reactie op somatische prikkels afschildert, ook zonder specifieke kritiek al veroordeeld. Of er moesten, wat zeer onwaarschijnlijk is, twee totaal verschillende typen dromen bestaan, waarvan het ene alleen door ons, het andere alleen door de eerdere beoordelaars van de droom is aangetroffen. Nu moeten wij alleen nog de feiten waarop de conventionele leer van de somatische droomprikkels steunt, een plaats binnen onze droomleer verschaffen."

Freud is dus op zoek naar welke plek de somatische droomprikkels in de duiding van de droom dienen te krijgen. Daarbij herinnert hij ons aan zijn eerdere observatie dat de droom verschillende elementen (gelijktijdige werkzame droomstimulansen) tot een eenheid verwerkt.

"Wij zagen dat wanneer van de voorgaande dag twee of meer imponerende ervaringen zijn overgebleven, de daaruit ontstaande wensen in één droom worden verbonden, en evenzo dat de psychisch waardevolle indruk en de indifferente ervaringen van de voorgaande dag zich tot droommateriaal verenigen, gesteld dat er communicerende voorstellingen tussen beide kunnen worden gefabriceerd. De droom blijkt dus een reactie te zijn op alles wat er in de slapende psyche gelijktijdig aan actueels aanwezig is. Welnu, voor zover wij het droommateriaal tot dusver geanalyseerd hebben, herkenden wij er een verzameling van psychische resten in, herinneringssporen waaraan wij (gezien de bevoorrechting van het recente en het infantiele materiaal) een psychologisch vooralsnog ondefinieerbaar karakter van actualiteit moesten toekennen. Het kost ons weinig moeite te voorspellen wat er zal gebeuren wanneer deze herinneringsactualiteiten met nieuw materiaal, bestaande uit gewaarwordingen tijdens de slaaptoestand, worden uitgebreid." (p.231)

Freud licht hier het actuele op uit de droom - waar zogezegd een nieuwe actualiteit (een somatische prikkel) aan wordt toegevoegd tijdens de droom (een geluid, een beweging in het lichaam, een arm die verkeerd ligt etc.). Wat gebeurt er nu met deze nieuwe, bijkomende gewaarwording?

Freuds antwoord is even simpel als uitgebreid:

"Deze excitaties worden op hun beurt belangrijk voor de droom doordat ze actueel zijn; ze worden met de andere psychische actualiteiten verenigd om het materiaal voor de droomvorming te leveren. De prikkels tijdens de slaap worden, anders gezegd, in een wensvervulling verwerkt waarvan de overige bestanddelen de ons bekende psychische dagresten zijn. Deze vereniging hoeft niet per se voltrokken worden; want wij zagen al dat tegenover lichamelijke prikkels tijdens de slaap meer dan één gedragswijze mogelijk is. In het geval dat ze voltrokken wordt, is het eenvoudigweg gelukt een aantal voorstellingen voor de droominhoud te vinden die voor beide droombronnen, zowel de somatische als de psychische, een representatie vormen. Het wezen van de droom verandert er niet door indien somatisch materiaal zich bij de psychische droombronnen voegt; de droom blijft een wensvervulling, om het even hoe de uitdrukking daarvan door het actuele materiaal wordt bepaald." (p.232)

Met andere woorden: de somatische prikkel wordt in de droom opgenomen en geassimileerd in het geheel van voorstellingen en de wensvervulling die de droom uitdrukt. Sterker nog, de droom neemt de somatische prikkel op ten gunste van de dromer, zodat deze niet wakker hoeft te worden door de prikkel en zijn slaap kan voortzetten. Uiteraard lukt dit niet in alle gevallen en zijn er individuele verschillen in de mate waarin men geneigd is wakker te worden door een lichaamsprikkel. Freud beschrijft in dat kader een persoonlijk en wat onsmakelijk droomvoorbeeld, dat overigens goed illustreert op welke wijze de droom een lichaamsprikkel opneemt in - en omvormt tot - een passend element (onderaan de blog toegevoegd). Voorts herinnert Freud ons ook aan de gemakzuchtige dromen, bijvoorbeeld waarin men zichzelf de dorst doet lessen in de droom (opdat men niet wakker hoeft te worden door de dorst-prikkel en daadwerkelijk de dorst hoeft te lessen). Dergelijke dromen zouden volgens Freud een belangrijk geheim van de droom aan het licht brengen:

"In zekere zin zijn alle dromen… gemakzuchtige dromen; ze dienen het oogmerk de slaap te vervolgen, in plaats van te ontwaken. De droom is de bewaker van de slaap, niet de stoorder." (p.236)

Wat betreft de geldigheid en generaliseerbaarheid van deze opvatting geeft Freud aan zich verderop nog te zullen rechtvaardigen, maar wat betreft de rol van de objectieve, uitwendige lichaamsprikkels is deze uitspraak al met argumenten te staven. De ziel bekommert zich ofwel helemaal niet om de lichaamsprikkels tijdens de slaap (men wordt niet wakker van de prikkel); ofwel ze gebruikt de droom om de prikkel te negeren (dromen dat men water drinkt om de dorst-prikkel te negeren); of ten derde, zoekt ze die duiding hiervan op die de actuele lichaamsprikkel als een onderdeel van een gewenste en met het slapen verenigbare situatie voorstelt. De actuele sensatie (de prikkel) wordt in een droom vervlochten om haar van haar realiteit te ontdoen.

"De wens te slapen (waarop het bewuste Ik zich heeft ingesteld (...)) moet dus telkenmale als motief van de droomvorming worden meegerekend, en elke geslaagde droom is een vervulling van deze wens." (p.237)

De droom is dus niet alleen inhoudelijk een wensvervulling, ook de wens van de slaper om in slaap te blijven (tot het ochtendgloren althans) wordt gehonoreerd. Vanuit deze verklaring kan men begrijpen dat uitwendige/inwendige lichaamsprikkels opgenomen worden in het droomverhaal, of in sommige gevallen zelfs actief dicteren hoe de droom zal verlopen. Het filmpje dat ik in blog 2-10 deelde legde dit al uit.


Na onderstaande nocturne (van het Latijnse nocturnus, 'nachtelijk'; een muzikale compositie die geïnspireerd is op de sfeer van de nacht, een romantisch of dromerig geheel) nog de droom van Freud die illustreert hoe een lichamelijke prikkel zijn uitwerking kan hebben in de droom.


(Nocturne no 2, Frédéric Chopin, gecomponeerd in 1830-1832)


(p.232-235) Bij mij, een uitstekende slaper die koppig weigert zich door welke aanleiding ook in de slaap te laten storen, is de inmenging van de uitwendige excitatieoorzaken in de dromen een grote zeldzaamheid, terwijl psychische motieven mij toch onmiskenbaar al heel vlug tot dromen brengen. Ik heb eigenlijk maar één droom opgetekend waarin zich een objectieve, pijnlijke prikkelbron laat identificeren, en juist in deze droom blijkt het zeer leerzaam na te gaan in wat voor droom de uitwendige prikkel resulteert.

Ik rijd op een grijs paard, eerst angstvallig en onhandig, alsof ik er alleen maar op leun. Dan kom ik een collega P. tegen, die in loden kostuum te paard zit en mij voor iets waarschuwt (waarschijnlijk dat ik slecht zit). Nu weet ik mij op het zeer intelligente paard steeds beter te helpen, zit comfortabel en merk dat ik mij daarboven best op mijn gemak voel. Als zadel heb ik een soort kussen dat de ruimte tussen hals en kruis van het paard volkomen in beslag neemt. Ik rijd zo vlak tussen twee vrachtwagens door. Nadat ik de straat een eind heb afgereden, keer ik om en wil afstappen, eerst voor een kleine open kapel die zich in de huizenrij bevindt. Daarna stap ik werkelijk af voor een kapel die daar dichtbij staat; het hotel is in dezelfde straat; ik zou het paard daar alleen heen kunnen laten gaan, maar geef er de voorkeur aan het te geleiden. Het is alsof ik mij zou schamen daar als ruiter aan te komen. Voor het hotel staat een piccolo, die mij een briefje laat zien dat van mij gevonden is, en die mij daarom belachelijk maakt. Op het briefje staat, dubbel onderstreept: geen eten, en dan een tweede voornemen (onduidelijk) als: geen werk; hierbij een vage notie dat ik in een vreemde stad ben waarin ik niet werk.

Men zal het deze droom niet meteen aanzien dat hij onder invloed, of liever gezegd, onder dwang van een pijnprikkel is ontstaan. Ik had echter de vorige dag last van steenpuisten gehad, die mij iedere beweging tot een marteling maakten, en uiteindelijk was een steenpuist aan de wortel van het scrotum tot de grootte van een appel aangezwollen, had mij bij elke stap de ondraaglijkste pijnen bezorgd, en een met koorts gepaard gaande vermoeidheid, gebrek aan eetlust, het desondanks volgehouden zware werk van de dag hadden met de pijn gemene zaak gemaakt om mijn stemming te bederven. Ik was niet goed in staat mijn plichten als arts te vervullen, maar gegeven de aard en de plaats van de aandoening viel er nog een andere verrichting te bedenken waarvoor ik zeker absoluut ongeschikt zou zijn geweest, te weten paardrijden. Juist hiermee laat de droom mij nu bezig zijn; het is de krachtigste negatie van de kwaal waarover de voorstelling kan beschikken. Ik kan helemaal niet paardrijden, droom er verder nooit over, heb in totaal maar één keer op een paard gezeten, zonder zadel toen, en vond het niet prettig. Maar in deze droom rijd ik paard alsof ik geen steenpuist aan mijn perineum heb, nee, juist omdat ik er geen hebben wil. Mijn zadel is, te oordelen naar de beschrijving, het kompres dat mij het inslapen mogelijk heeft gemaakt. Waarschijnlijk heb ik gedurende de eerste uren van de slaap—die aldus was beveiligd—niets van mijn kwaal gemerkt. Vervolgens meldden zich de pijnlijke gewaarwordingen die mij wilden wekken, toen kwam de droom en zei sussend: ‘Slaap toch door, je wordt toch niet wakker! Je hebt helemaal geen steenpuist, want je rijdt op een paard, en met een steenpuist op die plaats kan niemand toch paardrijden!’ En de droom had daarmee succes; de pijn werd overstemd, en ik sliep door. De droom heeft zich er echter niet mee vergenoegd een met de kwaal onverenigbare voorstelling hardnekkig vol te houden en daar door mijn steenpuist ‘weg te suggereren’, waarbij hij zich net zo gedroeg als de hallucinatoire waanzin van de moeder die haar kind heeft verloren, of die van de koopman die door verliezen is beroofd van zijn kapitaal, maar hij verwerkt bovendien de details van de geloochende sensatie en van het beeld dat wordt gebruikt om deze te verdringen, als grondstof om hetgeen verder in de ziel actueel aanwezig is, bij de situatie van de droom te laten aansluiten en uit te beelden. Ik berijd een grijs paard, de kleur van het paard komt precies overeen met het peper-en-zoutkleurige tenue waarin ik collega P. bij onze laatste ontmoeting buiten de stad gezien heb. Scherp gekruid voedsel is mij als oorzaak van furunculose [steenpuisten] onder het oog gebracht, als etiologie altijd nog te prefereren boven de suiker waaraan men bij furunculose eveneens kan denken. Vriend P. houdt ervan tegenover mij hoog te paard te zitten, sinds hij mijn directe opvolger is geworden bij een patiënte met wie ik grote kunststukken had volbracht (ik zit in de droom eerst, als een kunstrijder, tangentieel op het paard), maar die mij in werkelijkheid, zoals het paard van de zondagsruiter in de anekdote, heeft geleid waarheen zij maar wilde. Zo krijgt het paard de symbolische betekenis van een patiënte (het is in de droom zeer intelligent). ‘Ik voel mij daarboven best op mijn gemak’ doelt op de positie die ik in deze familie bekleedde voordat ik door P. werd vervangen. ‘Ik dacht dat u daar vast in het zadel zat’ heeft aangaande diezelfde familie een van mijn weinige beschermers onder de grote artsen van deze stad kort geleden tegen mij gezegd. Het was ook een kunststuk met zulke pijn acht tot tien uur per dag aan psychotherapie te doen, maar ik weet dat ik mijn bijzonder moeilijke werk niet lang kan voortzetten als ik lichamelijk niet honderd procent gezond ben, en de droom zit vol sombere toespelingen op de situatie die dan onvermijdelijk zal ontstaan (het briefje, zoals neurasthenici dat hebben en aan de arts laten zien):—niet werken en niet eten. Als ik de duiding voortzet, zie ik dat de droomarbeid erin is geslaagd vanuit de wenssituatie van het paardrijden de weg te vinden naar zeer vroege kinderscènes, ruzies die zich tussen mij en een nu in Engeland wonende, overigens een jaar oudere neef moeten hebben afgespeeld. Bovendien heeft de droom elementen uit mijn reizen door Italië in zich opgenomen; de straat in de droom is uit indrukken van Verona en van Siena samengesteld. Een nog diepere duiding leidt tot seksuele droomgedachten, en ik herinner mij wat bij een patiënte die nooit in Italië was geweest, de droomtoespelingen op dat schone land te betekenen hadden (gen ItalienGenitalien) [‘naar Italië—genitaliën’], hetgeen tegelijk weer een raakpunt heeft met de familie waarin ik vóór vriend P. arts was, en met de plaats waar mijn steenpuist zit


Vorige blog

Volgende blog

Voor suggesties, vragen of opmerkingen, graaf eerst in uzelf. Als dat u niet lukt:

  • Facebook Social Icon
  • White Instagram Icon

© 2018 by Reading Freud

  • Facebook - Black Circle
  • Black Instagram Icon